Feiten en Cijfers Gezelschapsdierensector 2015

In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken is er een derde uitgave van “Feiten en Cijfers  van de Gezelschapsdierensector” tot stand gekomen door de HAS Hogeschool Den Bosch en de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht, met ondersteuning van een adviesgroep met externe deskundigen.

Het rapport is een geactualiseerde versie ten opzichte van 2011 en uitgebreid met  informatie over zwerfkatten, (een aantal) bijzondere gezelschapsdieren, gehouden roofvogels, zwerfdierbemiddeling, proefdierherplaatsing, dierfysiotherapie, dierencrematoria, hondenuitlaatservices, hondensport en hondenscholen.

Hieronder vindt u een aantal passages uit het onderzoek. Het volledige rapport vindt u hier.

Cijfers

In totaal zijn in Nederland ca. 33,4 miljoen gezelschapsdieren aanwezig. Vergeleken met 2010 is het aantal gezelschapsdieren in vier jaar tijd gestegen met 12,5%. Indien naar de afzonderlijke diergroepen wordt gekeken, valt op dat de hondenpopulatie gelijk is gebleven en het aantal katten 10% is gedaald. Opvallend is verder de sterke toename in het aantal reptielen, zang- en siervogels, aquariumvissen en konijnen. Het aantal knaagdieren laat juist weer een daling zien (-42%).

In 2014 werden er in Nederland 1,5 miljoen honden en 2,6 miljoen katten als gezelschapsdier gehouden. Al deze honden en katten leven in 36 procent van de Nederlandse huishoudens. Bijna één op de vijf huishoudens heeft een hond in huis en in bijna een kwart van de huishoudens leeft één of meerdere katten. De meeste huishoudens met honden hebben één hond (81%). Bij katten is het houden van meerdere exemplaren gebruikelijker (46% van de huishoudens). Houders van overige diercategorieën hebben vaker meer dan één dier. Hierbij kan het gaan om meerdere vissen, knaagdieren of vogels.

Honden

In Nederland werden in 2014 ongeveer 1,5 miljoen honden gehouden door 18% van de huishoudens. Dat is iets minder dan de 19% in 2011. Het totaal aantal honden is de afgelopen jaren stabiel gebleven. Van de honden is 41% ouder dan acht jaar. De meeste honden worden gehouden in gezinnen met kinderen. Hondenbezitters wonen relatief vaak in het buitengebied. Er worden meer kruisingen dan rashonden gehouden.

Rashonden

De laatste jaren bevindt zich de hondenpopulatie rond de 1,5 miljoen honden. Het aantal honden met stamboom neemt af en het aantal niet-rashonden stijgt overeenkomstig. In totaal staan ca. 370 hondenrassen vermeld op de internationale FCI-lijst (Fédération Cynologique Internationale). In 2014 zijn pups van 260 verschillende rassen ingeschreven in het Nederlandse hondenstamboek. De top drie van populairste hondenrassen is al bijna 10 jaar lang gelijk: nummer één is de Labrador Retriever, gevolgd door de Duitse Herder en de Golden Retriever. De nummers 4 en 5 zijn de Berner Sennenhond en de Franse bulldog.

Katten

Het aantal katten in Nederland, 2,6 miljoen in 2014, laat een daling zien van 10% ten opzichte van 2010 en 4% ten opzichte van 2012. Ook het aantal huishoudens waarin één of meerdere katten aanwezig zijn nam af van 34% in 2010 naar 23% in 2014. Van de katten is 46% ouder dan acht jaar. De meeste katten worden gehouden in gezinnen met kinderen. In het noorden van het land is de penetratiegraad (percentage huishoudens dat een kat bezit) het hoogst. De meeste katten in aantallen wonen in de Randstad

Raskatten

Het aantal katten in Nederland met een stamboom wordt jaarlijks gemeten in het MarketResponse onderzoek. Deze groep laat de laatste jaren een daling zien. In 2014 werden ongeveer 6.900 raskittens gefokt, een afname van 5% t.o.v. 2012. In totaal zijn 44 kattenrassen erkend door de FIFé (Fédération Internationale Féline) die in vier categorieën worden verdeeld. Daarnaast zijn er 5 rassen voorlopig erkend. Van de huiskat zijn de langharige en de kortharige huiskat erkend. De top drie van populairste raskatten wereldwijd wordt gevormd door respectievelijk de Exotic, de Pers en als derde de Main Coon. In Nederland zijn dat Maine Coon, Ragdoll, Noorse boskat, Brits korthaar en Oosters korthaar (waaronder de Siamees)

Zwerfkatten

Zwerfkatten lijken een probleem te vormen in Nederland. Zwerfkatten kunnen enerzijds overlast geven, oorzaak zijn van gezondheidsproblemen bij de mens en impact hebben op de inheemse fauna. Anderzijds is er sprake van een welzijnsprobleem voor de zwerfkatten zelf, door hun vaak slechte gezondheidstoestand (ziekte en verwondingen) en gebrek aan voedsel. Zwerfkatten zijn (in)direct afkomstig van huiskatten die mede door onverantwoord huisdierbezit op straat belanden. Het totaal aantal zwerfkatten in Nederland is moeilijk te achterhalen. Het aantal zwerfkatten dat nu in Nederland rondloopt wordt, op basis van een grove extrapolatie van de in wetenschappelijke literatuur aanwezige aantallen, geschat tussen de 135.000 tot 1.200.000 zwerfkatten. Er is een aantal organisaties dat zwerfkatten (op) vangt. Naast de opvang van katten in asielen worden zwerfkatten door onder andere de Landelijke Dierenbescherming in speciale TNR-projecten (Trap-vangen, Neuter-castratie, Return-terugzetten) gevangen en na castratie weer teruggeplaatst op de plek van vangst of waar mogelijk herplaatst (in 2012 waren dat 8.666 katten en kittens (op)gevangen en na castratie weer 3.943 dieren teruggezet). De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging schat dat er jaarlijks 8.000 tot 13.500 verwilderde katten worden doodgeschoten.

Bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige fokkers

Tot 1 juli 2014 was alleen registratie vereist voor bedrijfsmatige houders van honden en katten volgens Het Honden en Kattenbesluit (HKB). Daarbij moesten houders aangeven of ze pension, asiel, fokker, dierenspeciaalzaak, handelaar of overige activiteiten uitoefenden. Op 1 juli 2014 waren er 1.013 bedrijfsmatige houders van honden en katten geregistreerd, waarvan 404 bedrijfsmatige fokkers. Na 1 juli 2014 dienen volgens het Besluit houders van dieren niet alleen bedrijfsmatige houders van honden en katten, maar bedrijfsmatige houders van alle gezelschapsdieren zich te laten registreren bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

De handel in (bijzondere) gezelschapsdieren

De handel in honden en katten vindt vooral plaats door fokkers en handelaren. Deze dieren worden nog sporadisch in dierenwinkels verkocht. Daarnaast is er de handel van bijzondere gezelschapsdieren die specialismen kent en plaatsvindt op maximaal drie distributieniveaus. Specialismen kunnen worden onderscheiden op basis van de diersoorten waarin wordt gehandeld, zoals de vogel-, reptielen- en amfibieën- (plus eventueel geleedpotigen), vissen- en zoogdierenhandel. Soms zijn er binnen deze specialismen weer specifiekere specialismen per familiegroep (bijvoorbeeld loop- of watervogels, tropische, koudwater-, zoet/zoutwater- of vijvervissen). Specialismen voor de betreffende diergroep zijn vrij strikt (verschillende handelsnetwerken en verschillende expertisen), maar enige soortcombinaties kunnen soms geconstateerd worden indien de landen van herkomst of de aanvoerroutes dezelfde zijn of elkaar overlappen. Minder soort specifieke kennis leidt echter ook vaak tot minder lucratieve handel door o.a. hogere mortaliteit. Een uitstapje zal daarom niet ondoordacht plaatsvinden, althans niet in de meer professionelere takken van de handel.

Kosten gezelschapsdieren

Na de aanschaf komen de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten redelijk overeen tussen de verschillende diersoorten. De jaarlijkse kosten voor een hond zijn gemiddeld €580. Bedacht moet worden dat dit gemiddelden zijn en dat bijvoorbeeld de (voedings)kosten voor een grote hond aanzienlijk hoger liggen dan voor een kleine hond. Ook hangen de kosten deels af van de keuzes die men maakt, bijvoorbeeld voor voeding (type en merk) en huisvesting

(Bron: Feiten en Cijfers Gezelschapsdierensector 2015)